Ze kozen allemaal de kamer met een bovenverdieping, en boven is waar de leerlingen heen gaan: lezen in een hoekje, gebogen over een sterrenkaart, schrijven aan een lessenaar. Beneden is vooral van de oude tovenaar met zijn boek en de ketels die op de vloer borrelen. Een zwarte kat zwerft door bijna elke klas, en de uilen strijken neer waar ze maar een plekje vinden.
Niemand let op de les, en de meester lijkt het niet erg te vinden.










